Zondag 16 november 2025
P-Lk20vs27-40dd20251115
Gemeente van Jezus Christus, vrienden van G’d,
‘Harry Potter en de Relieken van de Dood’. Heeft iemand het boek gelezen? Of de film gezien?
Een belangrijk thema in dit boek is het ‘bemeesteren’ van de dood of het verkrijgen van onsterfelijkheid. Maar misschien gaan alle Harry Potter-boeken hier wel over.
Joanne Rowling, de schrijfster, heeft ooit ergens gezegd dat de twee citaten op het graf van Harry’s ouders de hele serie omvatten.
De ene is van Paulus, – ‘de laatste vijand die vernietigd moet worden, is de dood’ (1Kor 15). De andere van Jezus – ‘waar uw schat is, is ook uw hart’ (Mat 6 of Lc 12).
Deze twee verzen vertolken volgens Rowling de centrale boodschap van het christelijk geloof zoals Harry Potter die te horen krijgt: er is leven voorbij de dood.
Het is toch best opvallend dat boeken van Harry Potter ontzettend populair blijven. Wereldwijd zijn meer dan 600 miljoen over de toonbank gegaan.
Of misschien ook wel weer niet zo opvallend: gisteren stond in misschien wel de allerbeste krant van Nederland – de NRC – een groot artikel over de vragen naar de zin van het leven, doodsangst of het verlangen naar ‘eeuwig leven’.
Los van de antwoorden zijn dat altijd blijvend actuele vragen, zo lijkt het – en dan is het opeens niet zo raar dat de Harry Potters op miljoenen geïnteresseerden kan rekenen.
¶ Is er leven na de dood? En is dat belangrijk? Waarom dan – of waarom niet?
En of er nu wel of geen leven is ná de dood, wat is de betekenis van dat iets of niets ná de dood op het leven vóór de dood?
Een leven na de dood: wat doet dat er nú toe?
¶ Eens in de zoveel jaren bestaat er wat ophef over dominees die verklaren iets niet meer te geloven.
Persoonlijk vind ik het niet zo interessant om veel ruchtbaarheid te geven aan wat je niet meer gelooft.
Het is veel spannender, vind ik, om te vertellen wat je wél gelooft en wat dat betekent voor je leven van alle dag.
Ongeloof wordt nogal eens op een hoop gegooid met twijfel en onzekerheid. Die vermenging is onzorgvuldig en verwarrend.
¶ Twijfel, onzekerheid, onrust komt bij iedereen voor, ook bij de grootste gelovigen.
Zo vraagt Johannes de Doper zich af – net voordat zijn hoofd door Herodes wordt afgehakt – of Jezus nu de langverwachte is of dat zij toch nog op iemand anders moeten wachten.
Elk mens twijfelt zo nu en dan – ik dus ook.
Of ik wel goed geloof, genoeg, met hart en ziel.
Of ik geen salon-christen ben, een luxe christen die gemakkelijke praatjes verkoopt zonder er zelf door geraakt te worden.
Volg ik Jezus wel helemaal, dus radicaal of doe ik het wat halfslachtig, wel een beetje van dit maar niet van dat.
En natuurlijk twijfel ik – zoals de allereerste christenen dat al deden – aan de beloofde terugkeer van Jezus: we wachten namelijk al zo lang en het zuchten van de schepping is er intussen niet minder op geworden.
Soms twijfel ik aan alles, aan G’d, in alle opzichten.
En volgens mij kan dat ook niet anders, omdat G’d niet en nooit vanzelfsprekend is.
Geloven in G’d is alles behalve een open deur. Geloven gaat nooit over een brede maar altijd over een smalle weg – een richeltje soms.
Als G’d voor de hand zou liggen, dan zouden we ook niet naar G’d hoeven te zoeken.
Ik heb het al eens eerder gezegd, wij zoeken naar G’d vanuit het verlangen om te weten wie G’d is, om G’d te kennen.
¶ En dat is iets anders dan zoeken naar iets waarvan je overtuigd bent dat dat niet bestaat. Vrij zinloos ook. En ook raar.
Ongeloof zelf is trouwens niet raar – integendeel. Ongeloof is normaal want het is van alle tijden.
¶ De Sadduceeën bijvoorbeeld geloofden niet in een leven na de dood.
De Sadduceeën waren een Joodse groep, waarvan de leden behoorden tot de bevoorrechte, welgestelde klasse.
Zij waren in hun leer conservatief: elke religieuze vernieuwing wezen zij van de hand. Alles moest daarom gewoon blijven zoals het was.
Sadduceeën waren zo bezien dan ook geen zoekers – als zij zochten dan zochten zij naar de bekende weg – die zij al kenden als geen ander.
Hun vraag aan Jezus was dan ook geen echte vraag. Het was veeleer een vraag om hem te strikken en om te bezien hoe Jezus hun dans zou ontspringen.
Ze spelen een spel zonder ernst omdat er voor hen niets meer op het spel staat.
Dan kun je je vrijblijvend druk maken. Het zijn woordspelletjes zonder gevolgen.
¶ Op die manier zouden wij met elkaar bijvoorbeeld een heel gesprek op kunnen zetten over het bestaan van engelen of, – iets minder onbelangrijk – over het verschil tussen onsterfelijkheid en opstanding uit de dood.
Jezus mixt dat namelijk wat door elkaar.
Maar volgens mij is dat niet de wezenlijke kern waar het omdraait, niet in de laatste plaats omdat het laatste woord daarover niet door ons gesproken kan worden uitgesproken.
En waar we nooit over uitgepraat raken geeft ruimte aan vrijblijvendheid – het stelt ons nooit voor een wezenlijke keuze.
Dat dus niet, maar wat dan wel: waar draait het dan wel om?
¶ De clou is dat G’d die de mens zoekt niet een G’d van wijsgeren en geleerden is maar de G’d van Abraham, Isaak en Jakob.
G’d is – niet wás – ís de G’d van Abraham, Isaak en Jakob. En zij leven, zegt Jezus, want G’d is geen god van doden – absurde gedachte – maar van levenden. Dus moeten Abraham, Isaak en Jakob wel leven zelfs al zijn zij ooit gestorven – de dood is het einde niet.
¶ Over degenen die leven na de dood zegt Jezus nog iets, namelijk dat zij waardig zijn bevonden voor de nieuwe wereld.
Waardig bevonden.
Sommigen horen de bel van het oordeel al schallen.
Is geloven dan toch gewoon een kwestie van je best doen?
Kun je zakken voor je geloof?
Kan de toegang tot die nieuwe wereld je ontzegd worden en ben je daar dan zelf verantwoordelijk voor?
Ik geloof van niet.
Het mooiste zinnetje in onze lezing is misschien wel het laatste vers en daarvan de laatste woorden:
Jezus zegt: “G’d is geen G’d van doden, maar van levenden – want voor G’d zijn allen in leven”.
Allen. Niet enkelen. Niet de ‘happy few’.
G’d houdt, zo lees ik dan, alle mensen voor waardig want allen zijn in leven.
Het is met andere woorden een beschrijving van het verbond van G’d met de mensheid, met heel de schepping.
Het verbond van G’d met ons is de grond van de menselijke waardigheid – en daarmee ook het fundament dat het laatste woord niet duisternis en dood is maar licht en leven.
En daarom is het ook veel belangrijker en troostrijker dat G’d in ons gelooft, dan dat wij in G’d geloven.
¶ En doet dat er nu wat toe, dat de dood niet het laatste is?
Ik geloof van wel – maar voel je vrij daar anders over te geloven.
Volgens sommigen geeft juist de begrenzing van het leven het leven urgentie en betekenis – en daar zit een kern van waarheid in.
Maar dat geldt ook voor degenen die zeggen dat juist wat de dood overstijgt, een onderscheidt maakt tussen het wezenlijke en onwezenlijke.
De tijdelijkheid van het bestaan maakt dat je keuzes moet maken, – niet alles kan – een mens dient dus prioriteiten te stellen.
En in de afweging van wat er meer en minder toe doet, kan een norm zijn dat wat blijft, de tijdelijkheid overstijgt.
In het boek waarin wij zoeken wie G’d is, valt hier en daar te lezen, soms tussen de regels door, dat liefde sterker is dan de dood, dat wat uit liefde wordt gedaan, blijft – voor altijd van waarde is – eeuwig leeft.
De begrenzing van ons leven nodigt ons uit om keuzes te maken voor wat werkelijk van waarde is – door te kiezen voor een levenswijze die hoort bij leven dat geen einde kent – een leven op aarde zoals in hemel.
Christenen kunnen in een onbegrensde ruimte staan, bevrijd van elk juk en door de tijd onbekneld, om vandaag als Jezus te leven: een mens zoals wij zijn in onze tijd, een mens zoals wij zullen zijn voorbij onze tijd.
Hoe dat zal zijn – weet ik niet.
G’d weet het – en dat is genoeg.
Amen.